Throwback tuesday: sneeuw onderweg naar het Ganden Klooster

Uitzicht Ganden klooster

Soms gebeurt er iets waardoor je meteen terugdenkt aan een bepaalde gebeurtenis. Dat gebeurde bij mij toen het ineens in Nederland begon te sneeuwen en het helemaal wit was. Ik dacht meteen aan de trip naar het Ganden klooster in Tibet. De regen die onderweg viel veranderde al snel door de grote hoogte in sneeuw. In het hoofdstuk Hemelbegraafplaats uit mijn boek Nepal & Tibet, goden en devotie lees je hier meer over.

Omdat de feestdagen voor de deur staan wil ik het hoofdstuk hemelbegraafplaats aan jullie cadeau doen. Dus veel leesplezier voor de openhaard of lekker met de verwarming aan.

PS: Ben je nog op zoek naar een mooi cadeau voor onder de kerstboom dan kun je het boek Nepal & Tibet, goden en devotie bestellen op www.mariekevandenbrink.nl/boek.

Op weg naar Ganden in de sneeuw

Foto: onderweg naar het Ganden klooster in de sneeuw

Hemelbegraafplaats

Het landschap, maar ook het weer, verandert langzaam. De lucht wordt steeds bewolkter en grijzer. Er doemen steeds meer grote fabriekspanden op. Alles bij elkaar ziet het er een beetje troosteloos uit. Het busje volgt de weg langs de Kyi Churivier, totdat we van de weg afslaan en bij de entreepoort van het klooster aankomen. We volgen een smalle weg met veel haarspeldbochten, totdat de hoogte van 4700 meter is bereikt. Het is inmiddels gaan regenen en doordat we zo snel in hoogte stijgen, verandert de regen al snel in sneeuw. Wanneer ik mij dit goed en wel realiseer, is het landschap om mij heen al helemaal wit geworden! Ik kijk naar mijn moeder naast mij en zie dat ze deze besneeuwde gevaarlijke weg maar niets vindt. Ik ben het helemaal met haar eens. Ik voel hoe de banden van het busje geen grip meer op de weg krijgen en we slippen een paar keer weg. Dölma is bang dat als we boven bij het klooster aankomen, we ingesneeuwd raken en in het klooster moeten overnachten. Op zich een leuk avontuur, maar morgenvroeg vliegen we naar Kathmandu en daarom besluiten we om te draaien. Als Lobsang het busje op de smalle weg wil draaien, stappen Willy, Dölma en ik graag uit. Dan stappen we voor de terugrit weer in, de berg af. Teleurgesteld kijk ik uit het raam. Ik keek ernaar uit om samen met Willy terug te gaan naar deze bijzondere plek. Niet alleen vanwege het waanzinnige uitzicht op de Kyi Chuvallei, maar ook omdat ik hier bijzondere herinneringen aan heb.

Bij mijn vorige bezoek aan het Gandenklooster heb ik samen met de gids Norbu de kleine gebedsvlaggetjes, die mijn vader en moeder de hele zomer in hun tuin hadden hangen, hier opgehangen. Norbu had eerst het ritueel aan mij uitgelegd en deed alles voor. De slinger met vlaggetjes haalde ik door de rook die boven een aangestoken sangkang uitkwam. Dit is om de goden van de hemel en de bergen te eren. Met het ophangen van de vlaggetjes herhaalde ik de mantra ‘Ohm mani padme hum’. Toen ze hingen, strooide ik er gerstekorrels en water overheen. Ik vouwde mijn handen voor mijn voorhoofd, keel en hart. Dit was een indrukwekkende gebeurtenis en hoe speciaal zou het zijn wanneer mijn moeder deze plek kon zien.

Een ander indrukwekkend moment was mijn ontmoeting met een monnik in de vergaderzaal van het klooster, waar ik gebedskastjes heb laten zegenen. Deze gaukastjes had ik in Lhasa op de markt gekocht. Ook dit ging weer gepaard met een uitgebreide ceremonie. De monnik schreef met een veer, gedoopt in goudkleurige inkt, mijn familienaam op een rood papiertje en verbrande dit vervolgens. Hij reciteerde een lang gebed, terwijl het kastje voor hem op het altaar lag. Ook hier werden gerstekorrels en water overheen gestrooid en bij de laatste mantra ging de monnik met een pauwveer over het kastje heen, alsof hij het wilde afstoffen. Door deze ceremonie was het gaukastje gezegend en zou mijn familie beschermd worden tegen narigheid, ongeluk en ziektes. Vooral op reis. De meeste Tibetanen dragen deze kastjes de hele dag bij zich. In het kastje zit een Boeddhabeeldje en een gebedsvlaggetje. Eigenlijk is het meer een doosje, waarvan de deksel bewerkt is met de acht gelukssymbolen. Deze ceremonie en de sfeer in het klooster hebben toen een diepe indruk op mij gemaakt.

Ook de kora om het klooster heen lopen, was adembenemend. Ik liep via de bergrichel omhoog en werd beloond met een spectaculair uitzicht op de vallei. Mooie luchten met de weerkaatsing van de wolken op de bergen. Toen mocht je nog de hemelbegraafplaats bezoeken wanneer er geen ceremonie was. Ik weet ook niet of je deze ceremonie wel wil meemaken, want dit gaat er toch wel wat anders aan toe dan bij ons. Na het overlijden leest een lama aan de dode voor uit het Tibetaans dodenboek, waarmee de geest van de gestorvene precieze instructies krijgt over wat hem te doen staat om zich te bevrijden. Dit duurt vaak tussen de drie en vijf dagen, zodat de ziel de tijd heeft om uit het lichaam te treden. Op de dag zelf brengen de ragyabas voor zonsopkomst het lichaam naar de luchtbegraafplaats, die op het kloostercomplex ligt. Hier wordt het lichaam in stukken gesneden, het vlees van de botten gehaald en aan de gieren gevoerd. Botten worden verpulverd en met tsampa vermengd ook aan de gieren gevoerd. De overgebleven resten worden verbrand. De dode heeft hiermee meteen zijn laatste goede daad verricht: een levend wezen voeden. Dat is goed voor zijn karma. De Tibetanen geloven dat een mens uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht bestaat en dat er daarom ook vier manieren zijn om afscheid te nemen van dit leven. De eerste, aarde, is vaak niet mogelijk, omdat de grond in Tibet vaak bevroren is. De tweede is het in het water werpen van het lichaam. Vuur, crematie, is vaak ook niet mogelijk, omdat er een groot gebrek is aan brandhout. Lucht, de hemelbegrafenis, blijft vaak als optie over. Dit maakt deze plaats behoorlijk indrukwekkend, als je bedenkt wat hier allemaal gebeurt.

Met al deze mooie herinneringen in mijn hoofd, kijk ik door het raam van het busje naar buiten. Het is opgehouden met sneeuwen. We volgen de weg langs de rivier weer. In de verte doemt een gele hangbrug op. Ik stoot Willy aan met mijn elleboog. “Dat lijkt wel de brug op het schilderij wat op onze hotelkamer hangt”, zeg ik tegen haar. “Dat klopt, misschien kunnen we wel even stoppen”, antwoordt ze. Ik geef Lobsang een seintje en hij parkeert het busje aan de kant van de weg. “That’s the Tagtse Bridge”, zegt Dölma. Als we uit willen stappen, gebaart de chauffeur dat we beter even kunnen wachten. Een hond, onder de schurft, komt hinkend naar ons toegelopen. Hij heeft nog maar drie poten en ziet er erg slecht uit. Lobsang leidt hem af, zodat wij het busje uit kunnen, zonder dat de hond achter ons aankomt.

De gele, ijzeren brug is gespannen met een rasterwerk van kabels. Voorbijgangers hebben hier gebedsvlaggen aan gehangen. De ijzeren platen maken een blikken geluid, als er een auto overheen rijdt. De brug is zo smal dat er een auto tegelijkertijd op kan. Naast de brug staat een sangkang. Ik kan mij heel goed voorstellen, dat als je deze brug over moet, je eerst de goden gunstig wilt stemmen. Aan de kant van de weg zijn veel witte ladders op de rotsen geschilderd. In het Boeddhisme gaat het om ´verdiensten´, die je tijdens je leven verwerft, zodat je in een volgend leven een beter leven krijgt. Door deze trappetjes te schilderen, word je hierbij geholpen, legt Dölma ons uit.

Terug in het hotel gaan we voor de laatste keer bij het aangrenzende restaurant Dunya eten. Dit wordt gerund door de Nederlanders Fred en Jeanette. Het is hun laatste werkdag en dan gaat het restaurant voor een paar maanden dicht. Over een paar dagen gaan zij terug naar Nederland om in april weer terug te komen. We nemen afscheid van de Tibetaanse dames die in het restaurant werken. Als cadeautje krijgen ze allemaal een Delftsblauw klompje van ons. Van de dames krijgen we spontaan een omhelzing en een zoen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.